In deel 1 van mijn gesprek met psycholoog Liza Luesink van Duwtje ging het over weerstand en vertrouwen. Maar vertrouwen alleen zorgt nog niet voor blije gezichten. Wat maakt dat mensen enthousiast worden en daadwerkelijk in beweging komen?
Volgens Liza begint dat bij motivatie. Bij ontdekken wat mensen werkelijk drijft.
Een omgevingsvisie maakt niemand enthousiast
We praten in ons vak graag over omgevingsvisies, stedenbouwkundige plannen, duurzaamheid, leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit.
Maar probeer je eens te verplaatsen in iemand die helemaal niet dagelijks met gebiedsontwikkeling bezig is. Wat betekent zo’n woord?
“Dat een omgevingsvisie uiteindelijk een papieren document wordt, interesseert bijna niemand”, zegt Liza. “Maar als het betekent dat er een theater, supermarkt of iets anders in je omgeving komt, wordt het concreet. Dan boeit het mensen ineens wel.”
En wat mensen raakt, verschilt. Voor de één is dat veiligheid. Voor een ander duurzaamheid, groen, ontmoeting, kinderen of verkeer.
Misschien moeten we daarom bij participatie minder vaak beginnen met de vraag Wat vindt u van ons plan?
En vaker met: wat vindt u belangrijk in uw dagelijks leven?
Daar ligt de ingang naar gedrag.
Mensen moeten je vaker dan één keer tegenkomen
Ook communicatie speelt daarin een belangrijke rol.
“We denken heel vaak: we hebben toch een brief gestuurd?”, zegt Liza. “Maar misschien heeft tachtig procent die meteen weggegooid.”
We besteden veel tijd aan ieder woord van zo’n brief, terwijl maar een klein deel van de ontvangers hem echt aandachtig leest. Mensen moeten iets vaker tegenkomen voordat het gaat leven.
Zichtbaar zijn in de wijk. Een gesprek voeren. Iets online voorbij zien komen. Het verhaal van een buurman horen. Een bekende tegenkomen die al betrokken is.
Juist sleutelfiguren en rolmodellen kunnen daarin belangrijk zijn. Mensen vertrouwen informatie sneller wanneer die komt via iemand met wie ze zich verbonden voelen.
Ook hier geldt dus: niet het middel staat centraal, maar het gedrag.
Een participatie-app kan geweldig zijn. Maar niet omdat het een app is. Een bewonersavond kan geweldig zijn. Maar niet omdat het een bewonersavond is.
De vraag is steeds: past de vorm bij de mensen die we willen bereiken?
Kun je er een foto van maken?
Hier vinden onze vakgebieden elkaar misschien nog wel het sterkst. Duwtje combineert gedragswetenschap bewust met creativiteit en design. Omdat vorm invloed heeft op gedrag.

Liza vertelt over een project waarin samen met bewoners een beeldtaal voor hun buurt werd ontwikkeld. Hartjes, wolkjes en bliksemschichten kregen ieder een betekenis. Tijdens een buurtbijeenkomst bleken kinderen de houten vormen spontaan te gebruiken om te bouwen en een hinkelpad te maken.
“Een ontworpen beeldtaal werd ineens iets van de buurt zelf. Juist doordat we het ook mét de buurt hadden ontworpen.” Dat is precies waarom ik bij participatie zo geloof in verbeelding, creativiteit en het tastbaar maken van ideeën.
Want wat betekenen woorden als duurzaamheid, leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit eigenlijk?
Liza gebruikt daarvoor een mooi voorbeeld: Kun je er een foto van maken?
Als het antwoord nee is, is de kans groot dat het voor mensen nog te abstract is.
Een maquette, foto, tekening, Lego-poppetje of tijdelijke ingreep kan dan soms meer doen dan tien pagina’s tekst.
Niet omdat participatie een spelletje moet worden. Ook Liza waarschuwt ervoor om niet overal automatisch een game of app van te maken.
Maar mensen moeten iets kunnen zien, voelen of ervaren voordat ze zich ertoe kunnen verhouden.
Van meepraten naar samen maken
En dan vertelt Liza een voorbeeld dat voor mij precies raakt aan de vonk.
Tijdens een buurtbijeenkomst begonnen bewoners te praten over een jeu-de-boulesbaan die ze graag wilden. Mensen wisselden verhalen uit, werden enthousiast en begonnen te bedenken hoe ze die misschien samen konden maken.
“Je zag echt die ogen twinkelen.”
Op zo’n moment gebeurt er volgens Liza ook letterlijk iets in ons brein. Verbinding, autonomie en enthousiasme activeren processen die ervoor zorgen dat we plezier ervaren en verder willen.
Maar dan komt misschien wel het belangrijkste. Je moet die energie vervolgens niet in een verslag stoppen en drie maanden laten liggen. Je moet iets gaan doen. Samen die baan ontwerpen. Misschien zelfs samen de stenen leggen. Dan verandert meepraten in mede-maken. En ontstaat eigenaarschap.
Misschien is dát het vonkje
Ons gesprek liet me anders kijken naar iets wat ik zelf al jaren probeer te doen met MeeDenkDagen, conceptontwikkeling en placemaking.
De vonk ontstaat niet doordat mensen alle informatie hebben gekregen. En ook niet doordat ze precies begrijpen hoe het planologisch proces in elkaar zit.
De vonk ontstaat wanneer mensen zichzelf in een ontwikkeling herkennen, ervaren dat ze ertoe doen en zin krijgen om mee te doen.
Daarvoor moeten we soms minder achter ons bureau zitten en vaker de wijk in. Minder uitleggen en beter luisteren. Minder abstracte woorden gebruiken en meer laten zien. Minder praten over participatie en meer samen maken.
Gedragswetenschap noemt dat misschien motivatie, autonomie, weerstand en sociale beïnvloeding.
Ik noem het graag vonkjes.
Maar volgens mij bedoelen we verrassend vaak hetzelfde.
Meer weten over gedrag, motivatie, weerstand en hoe dat werkt? Duwtje heeft er een mooie opleiding voor.






